Binnen OSLO® hebben we de pilot niet alleen uitgevoerd, maar ook systematisch geëvalueerd. Natuurlijk om te onderzoeken of het werkt, maar vooral om te begrijpen wat er gebeurt in de praktijk. Waar stroomt het en waar schuurt het juist?
De inzichten in dit artikel zijn afkomstig uit een eerdere pilotfase (2025–2026), waarin we OSLO® testten op vier VE-groepen. De uitkomsten vormden de basis voor de doorontwikkeling van OSLO®. Inmiddels lopen vervolgpilots waarin we de laatste aanpassingen verder toetsen en verfijnen.
In deze eerste pilot stonden vijf vragen centraal:
1. In hoeverre is OSLO® praktisch uitvoerbaar binnen de VE-praktijk?
De eerste vraag was misschien wel de meest basale: werkt dit in de praktijk zoals die écht is? De pilot liet zien dat de manier van implementeren daarbij een groot verschil maakt. Op drie locaties werd een volledige speel-ontwikkelomgeving ingericht. Op één locatie gebeurde lukte dat niet volledig. Juist daar zagen we dat de werkwijze minder goed tot zijn recht kwam. Dat maakte duidelijk hoe belangrijk een complete inrichting en een zorgvuldige introductie zijn voor een succesvolle implementatie.
Daarmee werd een belangrijke succesfactor zichtbaar: OSLO® is meer dan materiaal alleen. De samenhang tussen de speelomgeving, de introductie en de rol van de pedagogisch professional bepaalt in belangrijke mate hoe de werkwijze tot zijn recht komt.
Tegelijk benoemden professionals het materiaal als overzichtelijk, veilig en direct inzetbaar. De ervaren ontlasting zat niet in minder werk, maar in het feit dat zij niet steeds zelf een volledige speel-ontwikkelomgeving hoefden te ontwerpen. De belangrijkste ontwikkelpunten lagen daarom niet in het materiaal zelf, maar in de implementatie: hoe start je? En hoe zorg je dat OSLO® geen activiteit ‘ernaast’ wordt, maar onderdeel van het dagelijkse pedagogisch handelen?
2. Welke pedagogische en professionele meerwaarde ervaren professionals?
Op alle locaties zien we hetzelfde patroon terugkomen: kinderen gaan spelen. Ze zijn betrokken, spelen samen en in verschillende rollen. Maar minstens zo interessant is iets anders dat professionals teruggeven.
Spelverdieping ontstaat niet vanzelf. Op het moment dat een professional aansluit (door een vraag, een toevoeging of een kleine interventie) verandert het spel. Het wordt rijker en gelaagder. OSLO werkt daarin niet als methode die iets overneemt, maar als kader dat het handelen van de professional ondersteunt en zichtbaar maakt.
3. Welke signalen van ontwikkeling op kindniveau worden zichtbaar?
Hoewel er geen formele effectmeting is gedaan, zien we wel duidelijke signalen terug in observaties en reflecties.
- Kinderen herhalen woorden.
- Ze tellen en sorteren.
- Ze organiseren samen hun spel.
- Ze oefenen sociale interacties, inclusief conflicten en oplossen.
Opvallend is dat het materiaal hier een rol in speelt. De vaste sets, herkenbare contexten en visuele ondersteuning nodigen uit tot dit gedrag. Het spel is zo ingericht dat ontwikkeling als vanzelf onderdeel wordt van het spel.
4. Wat zijn succesfactoren en knelpunten in de implementatie?
Wat werkt, is verrassend concreet.
- Direct inzetbaar materiaal
- Overzichtelijke structuur
- Actieve rol professional
- Integratie in dagritme
- Herkenbaarheid van beelden
Wat schuurt, zit vooral in verwachtingen. Het idee dat spel ‘vanzelf’ rijk wordt. Of dat materiaal het werk overneemt. Daarnaast zien we dat sommige onderdelen minder aanspreken of meer uitleg vragen. Dat vraagt om doorontwikkeling, maar ook om scherp blijven kijken: wat heeft het kind nodig om in spel te stappen? Overeind blijft gelukkig duidelijk: de kern van OSLO® is uitvoerbaar. Ontwikkelpunten liggen in het implementatiekader en de verfijning van enkele themacomponenten.
5. Hoe ervaren ouders het werken met de OSLO® themaboeken?
Via de fotoboeken waren ouders actief betrokken in de pilots. We zien dat een groot deel positief reageert. Kinderen pakken het boek thuis, ouders herkennen woorden en er ontstaat gesprek.
Voor enkele ouders is de openheid van beeld zonder tekst lastig. Dat is interessant, want het laat zien dat vrijheid niet automatisch voelt als ruimte. Soms vraagt het om richting. Ook hier blijkt de rol van de professional cruciaal. De manier waarop het boek wordt geïntroduceerd, bepaalt voor een groot deel wat ouders ermee doen.
Eindconclusie
Wat deze pilot vooral laat zien, is dat OSLO® werkt, omdat het zichtbaar maakt wat er al is, in plaats van dat het iets toevoegt. Ja, spel ontstaat vaak ‘vanzelf’, maar rijk spel met verdieping en betekenis niet. Die ontstaan namelijk in de afstemming tussen het materiaal, de context/structuur van de dag en de betrokkenheid en (bij)sturing van de pedagogisch professional.
