In mijn vorige blog vertelde ik waarom ik OSLO® heb ontwikkeld. Als tegenhanger van de prestatie- en vinkjescultuur in de kinderopvang is het mijn doel om kinderen weer kind te laten zijn. Spelen en ontdekken mag de basis zijn van leren. Dan rijst natuurlijk de vraag:
Wat gebeurt er eigenlijk als kinderen spelen met OSLO®?
Niet in theorie, maar op de groep. Tussen laarzen vol potgrond, vilten ijsbollen in ijsbakjes en kinderen die “gewoon even boodschappen gaan doen op de markt”.
In de afgelopen maanden draaiden verschillende pilotrondes op 3 locaties. Nog los van welk oordeel het Nederlands Jeugdinstituut straks velt, lieten die pilots één ding heel duidelijk zien: als je kinderen een betekenisvolle speelplek geeft, gebeurt er meer dan je ooit met werkjes kunt plannen.
Van prototype naar peuterspel
OSLO® begon ooit als een houten speelhuis met een multifunctioneel meubel dat kon worden omgebouwd tot bijvoorbeeld een marktkraam, tuincentrum, behandeltafel of kookeiland. Alles tot in de puntjes vormgegeven, met themadozen vol zorgvuldig gekozen materialen.
Toen ik het thema tuincentrum voor het eerst neerzette bij een kinderopvang, voelde het alsof ik een soort “perfecte VVE-etalage” had gebouwd. Overalls, laarzen, nepplanten, een speelgoedkassa, zaadzakjes met pictogrammen… alles klopte….. Toch?
Want toen kwamen de peuters. Ze noemden mijn prachtig ontworpen huis“een kast.” En de zorgvuldig bedachte zaadzakjes? Die bleven liggen. Au😅.
De kinderen trokken vooral naar de échte spullen: laarzen, bodywarmers, potjes. Dingen die ze kenden uit hun eigen wereld, zoals het mobiele pinapparaat waar ik de speelkassa mee vervangen had die ze eerder links lieten liggen.
Het was confronterend, maar ook verhelderend. Want precies dát is waar OSLO® voor bedoeld is: niet mijn idee van spel centraal, maar hun werkelijkheid.
De echte wereld naar binnen
Vanaf dat moment ben ik nog scherper gaan kijken: wat pakt een kind écht op? Waar gaan kinderen uit zichzelf onbewust aan de slag met spelend leren? Een paar voorbeelden uit de pilots:
- Toen ik de speelgoedkassa verving door een echt (niet-actief) mobiel pinapparaat, veranderde het spel compleet. Kinderen gingen automatisch “pinnen”: bedragen intoetsen, wachten op de denkbeeldige piep, pasjes langs het apparaat halen. Ze speelden gewoon na wat ze dagelijks bij volwassenen zien.
- Om veilig met bloembollen (die soms giftig zijn) te kunnen werken, kocht ik sjalotjes als alternatief. Ze roken niet bepaald lekker, maar het spel barstte los. Kinderen plantten, sorteerden en sjouwden ermee rond, gaven ze namen van bloemen. De betrokkenheid en spelintensiteit namen direct toe.
- In het thema koffie/thee- & ijssalon liet ik bij een echte ijssalon bolletjes ijs fotograferen. Die foto’s kwamen in de ijsbakken terecht, met bijpassende vilten ijsbollen. Kinderen schepten, sorteerden smaken en serveerden aan elkaar. Ondertussen ontstonden vanzelf gesprekken over smaken, kleuren en hoeveelheden.
- Toen het woord “smoothie” viel, bleek dat veel kinderen dat niet kenden. De cue voor een pedagogisch professional om even naar de keuken te lopen. Met een echte blender, melk, fruit en ijsblokjes keerde ze terug op de groep en ter plekke werd een smoothie gemaakt. Uiteraard werd het een feestje omdat iedereen mocht proeven, maar het was ook een rijk ontwikkelmoment waarin taal, motoriek, zintuigen en plezier samenkwamen. Geen uitgewerkte activiteit met werkblad, maar een spontaan ontstaan moment met betekenis.
Steeds gebeurde hetzelfde: echte, herkenbare materialen nodigden uit tot spel dat vanzelf rijk, talig en betekenisvol werd.
Minder spullen, meer spel
Een groot misverstand over thematisch werken is “Hoe meer materiaal, hoe meer kinderen leren.” In de pilots bleek precies het omgekeerde. Toen we de speelhoek lieten vollopen met materialen, zagen we korter spel, meer afleiding en meer frustratie. Pas toen we het aanbod beperkten tot maximaal vijf kinderen in de hoek en per soort maar vijf materialen, veranderde het: kinderen bleven langer in hun spel, ze gingen spontaan tellen, sorteren en vergelijken en de rust op de groep nam zichtbaar toe. Professionals verwoordden het heel treffend:“Ik zie echt dat less more is” en “ze spelen zó fijn, we komen niet eens toe aan de extra werkjes.”
Wat kinderen laten zien in hun spel
Alle ervaringen uit de eerste pilots heb ik in OSLO® ingebouwd: een afgebakende, vaste hoek (herkenbaar en veilig), een maandelijks thema, in plaats van weken tellen en plannen en een overzichtelijk aantal échte materialen, zodat tellen, zoeken en “er mist er nog eentje!” vanzelf onderdeel worden van het spel. Het is geen trucje, maar een bewuste keuze voor overzicht voor kinderen én professionals. Als kinderen spelen in een OSLO®-hoek, zie ik telkens dezelfde dingen gebeuren:
- Ze gebruiken rijkere taal: van “bloemen” naar “rozen en tulpen” en van “eten” naar “aardappels, aardbeien, paprika, ijs en smoothies”.
- Ze ordenen en rekenen zonder werkbladen: wanneer er nog twee wortels missen, er vijf bollen in het bakje geteld worden en het ene materiaal langer is dan het andere.
- Ze spelen samen verhalen: een marktscène, een ijssalon, boodschappen doen, iets koken. Inclusief tasjes, recepten en opruimliederen.
- Ze bouwen bruggen met hun echte leven: kinderen verwijzen naar thuis, naar de supermarkt, naar de markt. Spel en dagelijkse routines lopen in elkaar over.
Op één locatie zag ik bijvoorbeeld hoe een kind een lap stof gebruikte als picknickkleed, een ander een Kapla-blokje als mes en een derde spontaan het “eet-smakelijk-lied” inzette voordat er “gegeten” werd. Dat soort momenten kun je niet ontwerpen in een methodemap, die ontstaan alleen als je ruimte laat.
Wat het doet met professionals
Een van de mooie dingen aan de pilots was wat ik zag gebeuren bij de pedagogisch professionals. Ze maakten zich vooraf vaak zorgen: doen we wel genoeg zonder uitgewerkt schema? Gaan we activiteiten missen? Na een paar weken OSLO® veranderde dat. Ze gaven zichzelf bijvoorbeeld hogere scores op het vergroten van spelbetrokkenheid, het stimuleren van taal en ontluikende rekenontwikkeling. Ze ervaarden minder voorbereidingstijd en voelden meer ruimte om gewoon aanwezig te zijn bij het spel. Een opmerking die me is bijgebleven:
“Ik hoef minder te bedenken. Ik mag meer meebewegen.”
Dat is precies wat ik hoopte dat OSLO® zou doen: niet nóg meer op het bord van de professional, maar hun vakmanschap zichtbaar en voelbaar maken.
En als het nog niet vanzelf gaat?
Niet elke pilotlocatie was meteen een succesverhaal. Op één pilotlocatie ontbrak een echte, afgebakende hoek. De ruimte was beperkt, er was sprake van een hoge zorgbehoefte en de werkdruk was hoog. Daar werd heel mooi zichtbaar dat kinderen weldegelijk nieuwsgierig waren naar het materiaal maar dat het spel nog wat oppervlakkig was en vroeg om veel sturing. Professionals vergaten soms dat er een thema liep, omdat ze gewend waren aan een gedetailleerde dagplanning van hun vorige programma.
Dat was geen “mislukking”, maar een belangrijke les: spel ontstaat niet in de lucht. Het heeft een hoek, ruimte en nabijheid nodig. Het onderstreepte hoe belangrijk het is om een fysieke plek te creëren (hoe klein ook); professionals te ondersteunen met coaching en te laten zien dat OSLO® niet “nog iets extra’s” is, maar juist helpt om eenvoudiger en rustiger te werken.
Wat de pilots mij leren (nog los van accreditatie)
De pilots hebben mij vooral laten zien dat kinderen geen werkjes nodig hebben om te ontwikkelen maar een betekenisvolle speelomgeving met (niet te veel) echte materialen en ruimte voor eigen initiatief. Professionals zijn vaak veel competenter dan ze zelf denken.
Accreditatie blijft belangrijk want zonder erkenning kun je in de VVE-wereld weinig.
De accreditatie moet nog gebeuren, maar als je het mij vraagt heeft de praktijk de visie van OSLO® inmiddels bevestigd. In de ogen van kinderen die opgaan in hun spel, in professionals die minder druk maar meer betekenis ervaren en in ouders die thuis een kind op de bank hebben die ze vol enthousiasme deelt wat ze gedaan heeft “op de groep”.
Dus ja, dát is wat er gebeurt als kinderen spelen met OSLO®. En precies dáár doe ik het voor.
