En waarom er bewust géén tekst in staat
In de kinderopvang is Nederlands de voertaal. Dat is logisch en ook helpend: het geeft kinderen woorden voor de wereld waar ze in opgroeien en bereidt ze voor op school.
Maar thuis is de taal niet altijd Nederlands. Soms is dat Arabisch, Oekraïens, Turks of misschien wel een hele andere. Soms spreken ouders Nederlands, maar niet vloeiend en durven ze minder omdat ze bang zijn dat ze “het niet goed doen”.
Daarbij is een idee ontstaan in een groot deel van de kinderopvang: “Ze moeten Nederlands leren spreken, dus bieden we voor thuis ook opdrachten aan in het Nederlands.” Ik snap hem ergens wel, maar in hoeverre beperk je hiermee voor een deel het ontstaan van échte ouderbetrokkenheid? Gelukkig bewegen we van die denkwijze langzaamaan steeds meer weg.
Want wat we steeds beter begrijpen, is dat het voor taalontwikkeling niet alleen (of zelfs: juist niet) gaat om wélke taal je spreekt, maar vooral over hoe rijk de taal is die een kind hoort en gebruikt. Een kind dat in zijn moedertaal uitgebreid kan vertellen, vragen kan stellen, emoties kan benoemen en verhalen kan maken, bouwt taalvaardigheid op. En die vaardigheid neemt het mee, óók wanneer het later schakelt naar het Nederlands.
Daarom noem ik de moedertaal vaak: de taal van je hart. De taal waarin je vanzelfsprekend bent. Waarin je nuance hebt. Waarin je grapjes maakt. Waarin je écht contact maakt met je kind. En precies dát is wat ik met de OSLO®-boeken wil ondersteunen.
Waarom de OSLO®-boeken geen tekst hebben
De OSLO®-boeken bestaan uit foto’s en illustraties. Geen voorleesverhaal met zinnen die je moet volgen. Geen opdracht. Geen uitleg. Geen “zo hoort het”.
En dat is een bewuste keuze.
Want zodra er tekst in staat, wordt de taal “vastgezet”. Dan is er één juiste manier van voorlezen. Eén juiste volgorde. Eén juiste boodschap.
Terwijl ik juist wil dat ouders het boek kunnen gebruiken als gespreksstarter, ongeacht de taal die er gesproken wordt. De boeken mogen de aanleiding zijn om samen te kijken, te benoemen, te vragen, te herinneren en te fantaseren. Een kind kan zo’n boek “voorlezen” in eigen woorden. En een ouder kan meebewegen in de taal van het hart.
Dat maakt het boek niet alleen toegankelijker voor ouders die de Nederlandse taal minder goed beheersen, maar vaak ook rijker voor álle ouders; je zit niet vast aan een tekst maar maakt samen het verhaal.
Wat je dan ziet gebeuren: taal, spullen en handelingen
OSLO® werkt met herkenbare thema’s uit het dagelijks leven. En de boeken sluiten daar direct op aan. Je ziet kinderen spelen met alledaagse materialen: een tasje, een portemonnee, een pinapparaat, een krat, groenten en fruit, schepjes of bakjes. Je ziet handelingen: kiezen, kopen, betalen, inpakken, tillen, sorteren en teruglopen voor “die ene” die nog mist.
Dat is belangrijk, omdat taal bij jonge kinderen niet los staat van doen. Kinderen praten niet over “woorden”; kinderen praten over wat ze zien, voelen en meemaken. Dus als een kind thuis een foto ziet van zichzelf (of van andere spelende peuters) die “boodschappen doet”, dan is de kans veel groter dat het verhaal vanzelf komt:
- “Kijk! Ik kocht aardappels.”
- “We maakten een lijstje.”
- “Die wortel was kwijt.”
- “Ik moest betalen.”
- “Ik was de verkoper.”
En dat gesprek kan in het Nederlands, maar net zo goed in een andere taal. Sterker nog: het wordt dus rijker als ouders de taal gebruiken waarin ze zichzelf het best kunnen uitdrukken. Kinderen zijn vervolgens in staat om, zeker naarmate ze ouder worden, die taal van het hart net zo rijk te vertalen naar het Nederlands.
Ouderbetrokkenheid structureel én haalbaar maken
Ouderbetrokkenheid is niet “iets extra’s” als het gaat om een VVE-programma, maar een voorwaarde. Het moet aantoonbaar onderdeel zijn van je aanpak en terecht; taalachterstanden pak je het liefst breed aan, niet alleen op de kinderopvang.
Traditioneel zie je dat terug in ouderbrieven, ouderactiviteiten of een moment waarop ouders worden uitgenodigd op locatie. Dat kan waardevol zijn, maar het bereikt vaak dezelfde groep. En het sluit ouders uit die:
- weinig tijd hebben;
- zich minder comfortabel voelen in een groepssetting;
- de brief niet goed kunnen lezen;
- simpelweg de taal niet vloeiend genoeg beheersen om te begrijpen wat de bedoeling is.
Daarnaast mist er iets waar ouders écht structureel mee aan de gang kunnen. De OSLO®-boeken proberen ouderbetrokkenheid te verplaatsen naar een plek waar het wél lukt: thuis, in kleine momenten, op een manier die past bij het echte leven.
En het mooiste is: ouders hoeven niet eerst “iets te kunnen” voordat ze kunnen aansluiten. Ze hoeven geen Nederlands op 3F-niveau te spreken of didactische trucjes te kennen. Ze hoeven alleen maar te zijn, te kijken en mee te praten.

En dan: ga ook écht naar de markt
Een van mijn diepste overtuigingen achter OSLO® is dat spel niet alleen “doen alsof” is. Spel is een brug naar de wereld. Als kinderen spelen met de markt, hoop ik niet alleen dat ze leren tellen en benoemen, maar dat ouders denken:“Weet je wat? We gaan gewoon eens naar de markt.”
Want zelfs als je niets koopt, gebeurt er van alles. Je loopt langs kramen, ziet kleuren, ruikt geuren, hoort stemmen, kijkt hoe mensen met elkaar praten. In die echtheid komt de herkenning en ontstaat écht rijke taal. OSLO® wil ouders daarin niet beleren, maar uitnodigen. Met beelden die zeggen: kijk, dit kun je samen doen.
Wat we nu zien in de pilots
De reacties op de boeken zijn tot nu toe overwegend heel positief. Ouders vinden het leuk om iets tastbaars mee te krijgen, kinderen herkennen hun spel en “vertellen” thuis wat ze hebben gedaan. Professionals geven aan dat ze het juist fijn vinden dat ze tijdens kringmomenten of tussendoor “even snel” een boek kunnen pakken. Dat maakt het makkelijk om het thema terug te laten komen in de dag.
Wat ik wel merk: sommige ouders vinden het lastig om zelf verhalen te bedenken. Missen in het begin de houvast die ze gewend zijn en denken: wat moet ik ermee? En dat neem ik serieus. Want “geen tekst” moet niet voelen als “zoek het maar uit”.
Daarom ben ik nu aan het onderzoeken hoe ik meer zachte ondersteuning kan toevoegen, zonder het vrije karakter van het boek te verliezen. Denk aan visuele hints of simpele suggesties of korte voorbeeldfilmpjes die laten zien hoe je zo’n gesprek kunt voeren, in welke taal dan ook. Niet om ouders te instrueren, maar om de drempel te verlagen. Want wat ook bleek: na wat hulp, ging het bijna altijd een stuk makkelijker.
Hoe de boeken onderdeel zijn van het OSLO®-pakket
Als een organisatie met OSLO® werkt, krijgen ze standaard drie boeken per thema-set:
- Één boek voor in de leeshoek (zodat de speelwereld ook dáár terugkomt).
- Twee boeken om uit te lenen aan ouders.
Maar mijn ideaalbeeld is groter: het liefst is er minstens één boek per kind, zodat het echt kan rouleren, mee naar huis kan, vaker terugkomt, en een vast onderdeel wordt van de taalomgeving thuis.
En omdat OSLO® werkt met twaalf maandthema’s, betekent dat ook: twaalf themaboeken, plus een handboek voor professionals.
In principe neem je als organisatie alle twaalf thema’s af. Juist omdat het ritme (maandelijks) helpt om rust te brengen: je hoeft niet te puzzelen in “week 3”, je volgt gewoon de kalender en het leven.
Tot slot
De OSLO®-boeken zijn dus geen “extraatje”. Ze zijn een essentieel onderdeel van hoe OSLO® denkt over ontwikkeling en ouderbetrokkenheid.
Niet: ouders moeten meedoen op ónze manier.
Maar: hoe maken we het voor ouders mogelijk om aan te sluiten in hún taal, hún tijd en hún leven?
Want uiteindelijk is dat waar taalontwikkeling begint:
bij een kind dat iets meemaakt, en een ouder die zegt:
“Vertel eens… wat gebeurde er vandaag?”
In de taal van je hart.
